Archief voor de '9. Verpanding'Categorie

Faillissement

juli 12, 2009

Hij zei: Wanneer een persoon door de rechter failliet is verklaard en er vervolgens één van de schuldeisers zijn eigen bezit ontdekt, dan heeft hij er meer recht op (dan alle andere schuldeisers) tenzij de persoon het wenst op te geven en gelijk te worden behandeld met de (andere) schuldeisers.[1] Wanneer een deel van een product (dat verkocht is aan degene die failliet is) op raakt of in zo’n mate toeneemt dat de toename niet te onderscheiden is van het product, of wanneer de prijs van het product wat aan de lage kant is, dan wordt de verkoper van het product gelijk behandeld met de (andere) schuldeisers. [Wanneer er een schuld uit staat bij een persoon voordat de rechter hem wettelijk onbekwaam verklaard, dan is het geldig.] Wanneer er enige recht aan de failliete persoon verschuldigd is door middel van een getuige en er geen eed wordt genomen, dan mogen de schuldeisers geen eed afleggen naast (de getuigenis van) de getuige om het te krijgen. Wanneer een schuld welke niet direct verschuldigd is bezit wordt door een failliet persoon, dan wordt het niet toegestaan doordat men failliet raakt.[2] Ook wordt het niet toegestaan wanneer de persoon komt te overlijden indien het bevestigd wordt door de erfgenamen van de overledene.[3] Alles dat al van de hand is afgedaan door degene die failliet is <voordat de rechter hem wettelijk onbekwaam heeft verklaard> is geldig. De schuldeisers moeten vriendelijk genoeg zijn om de kosten te dragen voor de onderhoud van de failliete persoon en degene onder het gezag van zijn geld, totdat het verstrijken (volledig) vast is. Het noodzakelijke verblijf van een failliete persoon kan niet verkocht worden.

Een persoon die beweert in financiële moeilijkheid te verkeren terwijl men verantwoordelijk is voor een schuld, wordt vastgezet[4] totdat er bewijs geleverd wordt die zijn bewering steunt over de financiële moeilijkheid. Wanneer na het overlijden een persoon failliet wordt bevonden, dan mag niemand van de schuldeisers zijn of haar eigen bezit terug nemen.[5]

Wanneer een persoon die verantwoordelijk is voor een schuld van plan is te reizen terwijl de schuld uit staat voor het einde van de reisperiode, zo’n persoon mag weerhouden worden van het reizen door aan wie de schuld uit staat.[6] Allah weet het beter.


[1] Dit is ook de zienswijze van Malik en al-Shafiʿi. Abu Hanifah heeft de zienswijze dat de persoon hetzelfde wordt behandeld als de andere schuldeisers. (Al-Mughni, deel 4, pag. 307) De volgende vijf voorwaarden schrijven de verkoper van het bezit toe aan het bezit: 1.) Het bezit moet in dezelfde staat beschikbaar zijn zoals het verkocht werd aan de persoon die failliet verklaard is. 2.) De toename, indien daar sprake van is, mag niet te onderscheiden van het oorspronkelijk bezit zijn. 3.) De verkoper mag geen deel van de prijs van het bezit ontvangen hebben. 4.) Het bezit mag niets te maken hebben met het recht van een ander persoon. 5.) De persoon die failliet verklaard is moet levend zijn. (MWSK, deel 4, pag. 460-483. Al-Mughni, deel 4, pag. 310-332)

[2] Dit is volgens ibn Qudamah gebaseerd op een overlevering van ibn Hanbal. Volgens een andere overlevering wordt het toegestaan. Dit is de zienswijze van Malik. Twee tegengestelde zienswijzen worden aan al-Shafiʿi toegeschreven, of het wordt toegestaan of het wordt niet toegestaan. (Al-Mughni, deel 4, pag. 326)

[3] Er zijn twee overleveringen in deze zaak; of het wordt niet toegestaan of het wordt toegestaan. De laatste zienswijze wordt aangehangen door Malik, al-Shafiʿi en de rationalisten. (Al-Mughni, deel 4, pag. 327)

[4] Malik en al-Shafiʿi geloven ook in het vasthouden van een persoon die beweert in financiële moeilijkheid te verkeren. Volgens Malik is er geen verhoor van bewijs bij een financiële moeilijkheid. (Al-Mughni, deel 4, pag. 339)

[5] Malik heeft ook deze zienswijze. Volgens al-Shafiʿi mag eenieder die zijn bezit verkocht aantreft bij de failliete overleden persoon het terug nemen. (Al-Mughni, deel 4, pag. 341)

[6] Dit is waarschijnlijk gebaseerd op een overlevering van ibn Hanbal. Volgens al-Shafiʿi wordt de persoon niet van het reizen weerhouden, ongeacht of dat het recht voor of na de reisperiode verstreken is en ongeacht of de reis voor een wettige oorlog is of niet. (Al-Mughni, deel 4, pag. 342)

Verpanding

juli 12, 2009

Hij zei: Onderpand mag slechts geaccepteerd worden wanneer het ontvangen wordt van een persoon die het wettige recht heeft om het af te staan, of als het ontvangen wordt op (één van de volgende) twee manieren: Indien het onderpand verplaatsbaar is dan wordt het niet als ontvangen beschouwt totdat het in bezit komt nadat het overgedragen is door de pandgever aan de pandhouder. Indien het niet verplaatsbaar is, zoals een huis of landgoed, dan claimt de pandhouder er bewijs van ontvangst voor wanneer het binnen zijn macht wordt overgebracht en het volledig toegankelijk is voor de pandhouder. Wanneer het onderpand in handen komt van een persoon waarbij voor ontvangst beide partijen voorwaardelijk overeenstemming hebben bereikt, dan wordt het beschouwd als ontvangen. Het is niet toegestaan om het onderpand van iemand aan een ander persoon te verpanden tenzij hij een betrouwbaar persoon is. Wanneer een deel van de schuld aan de pandhouder is betaald, dan blijft het onderpand nog steeds in handen van de pandhouder (totdat de schuld volledig afbetaald is). Een slaaf die als borg gegeven wordt is vrij wanneer hij (later) bevrijd wordt door de pandgever; en wanneer de pandgever iets anders bezit dat (gelijk is aan) de waarde van de bevrijde slaaf dan wordt dat daarvoor in de plaats ingelegd als onderpand.[1] Wanneer een verpande slavin tot draagster is gemaakt van een kind door de pandgever, dan kan zij niet langer als onderpand behandeld worden en daarom wordt de (gelijke) waarde van zo’n slavin van de pandgever genomen en ingelegd als onderpand.

Wanneer een verpande slaaf een misdaad begaat dan heeft het slachtoffer meer recht op een wettige beschuldiging dan de pandhouder, totdat hij volledig gecompenseerd is (voor de misdaad). Wanneer de slaveneigenaar ervoor kiest de slaaf vrij te kopen, dan blijft de slaaf in dezelfde positie als die van een onderpand. Wanneer een verpande slaaf verwond of gedood wordt, dan is de persoon die in deze een proces voert de slaveneigenaar en wat er ook (aan compensatie) ontvangen wordt als resultaat hiervan, wordt als onderpand ingelegd.

Wanneer een product gekocht wordt onder de voorwaarde dat een bepaalde deel van het bezit van de koper dat bij beide partijen bekend is, als borg verpand wordt aan de verkoper, of onder de voorwaarde dat de verkoper iemand die voor hem garant staat krijgt en die bij beide bekend is, voor de prijs van het product, dan is de koop geldig. Wanneer de koper zich weerhoud van het geven van het onderpand of wanneer degene die garant staat zich weerhoudt van het accepteren van de verantwoordelijkheid, dan krijgt de koper het recht om of de verkoop te annuleren of ermee door te gaan zonder (het vragen van) een onderpand of iemand die garant staat. Het is voor de pandhouder niet toegestaan voordeel te halen of wat dan ook uit het onderpand tenzij het een rijdende dier is of een dier dat gemolken kan worden, waarin het geval het toegestaan is om het te berijden of te melken voor zo veel als dat het duurt om het dier te voederen.[2] Woninghuur, diensten van de slaaf, zwangerschap van de schaap enzovoorts en het fruit van een in borg gestelde boom, worden allemaal beschouwd als onderdeel van wat als borg is ingelegd.[3] De pandgever moet de voorzieningen geven van het onderpand. De pandgever moet de kleed van de overleden slaaf leveren. Indien het onderpand opgeslagen dient te worden, dan huurt de pandgever de opslagruimte.[4] Wanneer de borg op raakt zonder dat het de fout is van de pandhouder, dan claimt de pandhouder het volledige recht op het vastgestelde tijdstip terwijl de pandgever het verlies neemt.[5] De pandhouder moet ervoor betalen indien hij de grens heeft overschreden of er niet (genoeg) zorg voor heeft gedragen.

Op het moment van een onenigheid over de waarde van het onderpand, wordt het woord van de pandhouder genomen, bekrachtigd door een eed; en wanneer de onenigheid over de verschuldigde hoeveelheid aan een persoon gaat, dan wordt het woord van de pandgever genomen,[6] bekrachtigd door een eed met als gegeven dat niemand van hen met een bewijs komt. De pandhouder heeft meer rechten op de claim van zijn schuld van wat het onderpand waard is dan alle schuldeisers, totdat de volledige betaling is ontvangen, ongeacht of dat de pandgever levend of dood is.


[1] Dit is het geval voor de pandgever ongeacht of hij financieel capabel is of niet. Dit is ook de zienswijze van de rationalisten en het is volgens één van de drie zienswijzen van al-Shafiʿi, behalve dat abu Hanifah stelt dat in het geval van een persoon die niet financieel capabel is, dat de bevrijde slaaf zijn waarde terug mag betalen door te werken. Volgens een andere overlevering van ibn Hanbal, is de slaaf niet vrij indien de pandgever niet financieel capabel is. Dit is de zienswijze van Malik en het is ook volgens een tweede zienswijze van al-Shafiʿi. Volgens een derde zienswijze van al-Shafiʿi wordt de slaaf niet bevrijd, ongeacht of de pandgever financieel capabel is of niet. (Al-Mughni, deel 4, pag. 271)

[2] Volgens abu Hanifah, Malik en al-Shafiʿi is het de pandhouder niet toegestaan om voordeel te trekken uit de borg. (Al-Mughni, deel 4, pag. 290)

[3] Volgens de rationalisten wordt de toename dat direct uit de originele borg voortkomt als onderdeel beschouwd van de ingelegde borg, maar niet wat ermee verdiend wordt. Volgens Malik wordt alleen het kind als onderdeel beschouwd van de borg in het geval van een toename van de originele borg. Al-Shafiʿi heeft de zienswijze dat de toename van de originele borgt of wat ermee verdiend wordt niet als onderdeel beschouwd wordt van de ingelegde borg. (Al-Mughni, deel 4, pag. 291-292)

[4] Dit is ook de zienswijze van Malik en al-Shafiʿi. Volgens abu Hanifah zijn woninghuur en onderhoud de verantwoordelijkheden van de pandhouder. (Al-Mughni, deel 4, pag. 294)

[5] Al-Shafiʿi heeft deze zienswijze. Malik heeft de zienswijze dat er geen betaling is wanneer het opraken vanwege een externe factor is zoals overlijden of vuur, maar de betaling is vereist wanneer het door een verborgen oorzaak komt. Volgens de rationalisten moet de pandhouder het minste van de twee waarden of de waarde van de schuld betalen. (Al-Mughni, deel 4, pag. 297)

[6] Al-Shafiʿi en de rationalisten hebben ook deze zienswijze. Volgens een andere zienswijze, welke gelijk is aan de zienswijze van Malik, wordt het woord van de pandhouder genomen. (Al-Mughni, deel 4, pag. 299)