Hij zei: Wanneer een persoon door de rechter failliet is verklaard en er vervolgens één van de schuldeisers zijn eigen bezit ontdekt, dan heeft hij er meer recht op (dan alle andere schuldeisers) tenzij de persoon het wenst op te geven en gelijk te worden behandeld met de (andere) schuldeisers.[1] Wanneer een deel van een product (dat verkocht is aan degene die failliet is) op raakt of in zo’n mate toeneemt dat de toename niet te onderscheiden is van het product, of wanneer de prijs van het product wat aan de lage kant is, dan wordt de verkoper van het product gelijk behandeld met de (andere) schuldeisers. [Wanneer er een schuld uit staat bij een persoon voordat de rechter hem wettelijk onbekwaam verklaard, dan is het geldig.] Wanneer er enige recht aan de failliete persoon verschuldigd is door middel van een getuige en er geen eed wordt genomen, dan mogen de schuldeisers geen eed afleggen naast (de getuigenis van) de getuige om het te krijgen. Wanneer een schuld welke niet direct verschuldigd is bezit wordt door een failliet persoon, dan wordt het niet toegestaan doordat men failliet raakt.[2] Ook wordt het niet toegestaan wanneer de persoon komt te overlijden indien het bevestigd wordt door de erfgenamen van de overledene.[3] Alles dat al van de hand is afgedaan door degene die failliet is <voordat de rechter hem wettelijk onbekwaam heeft verklaard> is geldig. De schuldeisers moeten vriendelijk genoeg zijn om de kosten te dragen voor de onderhoud van de failliete persoon en degene onder het gezag van zijn geld, totdat het verstrijken (volledig) vast is. Het noodzakelijke verblijf van een failliete persoon kan niet verkocht worden.
Een persoon die beweert in financiële moeilijkheid te verkeren terwijl men verantwoordelijk is voor een schuld, wordt vastgezet[4] totdat er bewijs geleverd wordt die zijn bewering steunt over de financiële moeilijkheid. Wanneer na het overlijden een persoon failliet wordt bevonden, dan mag niemand van de schuldeisers zijn of haar eigen bezit terug nemen.[5]
Wanneer een persoon die verantwoordelijk is voor een schuld van plan is te reizen terwijl de schuld uit staat voor het einde van de reisperiode, zo’n persoon mag weerhouden worden van het reizen door aan wie de schuld uit staat.[6] Allah weet het beter.
[1] Dit is ook de zienswijze van Malik en al-Shafiʿi. Abu Hanifah heeft de zienswijze dat de persoon hetzelfde wordt behandeld als de andere schuldeisers. (Al-Mughni, deel 4, pag. 307) De volgende vijf voorwaarden schrijven de verkoper van het bezit toe aan het bezit: 1.) Het bezit moet in dezelfde staat beschikbaar zijn zoals het verkocht werd aan de persoon die failliet verklaard is. 2.) De toename, indien daar sprake van is, mag niet te onderscheiden van het oorspronkelijk bezit zijn. 3.) De verkoper mag geen deel van de prijs van het bezit ontvangen hebben. 4.) Het bezit mag niets te maken hebben met het recht van een ander persoon. 5.) De persoon die failliet verklaard is moet levend zijn. (MWSK, deel 4, pag. 460-483. Al-Mughni, deel 4, pag. 310-332)
[2] Dit is volgens ibn Qudamah gebaseerd op een overlevering van ibn Hanbal. Volgens een andere overlevering wordt het toegestaan. Dit is de zienswijze van Malik. Twee tegengestelde zienswijzen worden aan al-Shafiʿi toegeschreven, of het wordt toegestaan of het wordt niet toegestaan. (Al-Mughni, deel 4, pag. 326)
[3] Er zijn twee overleveringen in deze zaak; of het wordt niet toegestaan of het wordt toegestaan. De laatste zienswijze wordt aangehangen door Malik, al-Shafiʿi en de rationalisten. (Al-Mughni, deel 4, pag. 327)
[4] Malik en al-Shafiʿi geloven ook in het vasthouden van een persoon die beweert in financiële moeilijkheid te verkeren. Volgens Malik is er geen verhoor van bewijs bij een financiële moeilijkheid. (Al-Mughni, deel 4, pag. 339)
[5] Malik heeft ook deze zienswijze. Volgens al-Shafiʿi mag eenieder die zijn bezit verkocht aantreft bij de failliete overleden persoon het terug nemen. (Al-Mughni, deel 4, pag. 341)
[6] Dit is waarschijnlijk gebaseerd op een overlevering van ibn Hanbal. Volgens al-Shafiʿi wordt de persoon niet van het reizen weerhouden, ongeacht of dat het recht voor of na de reisperiode verstreken is en ongeacht of de reis voor een wettige oorlog is of niet. (Al-Mughni, deel 4, pag. 342)