Hij zei: Wanneer de zon begint te dalen op vrijdag, neemt de Imam plaats op de preekstoel. Wanneer hij tegenover de menigte staat begroet hij hen met de salam en beantwoorden zij hem de salam, dan gaat hij zitten en dan beginnen de Moe-adhins met de adhaen (het uitspreken van de oproep tot het gebed). Deze oproep[1] verbied de gelovigen (vanaf dat moment totdat het gebed voorbij is) door te gaan met hun handel en verplicht hen ook zich te haasten (naar het gedenken van Allah),[2] tenzij de persoon ver weg woont (van de plaats van het Djoemoeʿah gebed), in zo’n geval moet hij op een mogelijke tijdstip vertrekken om de plek van het gezamenlijke gebed te bereiken. Wanneer de adhaen voorbij is staat de Imam op om te preken voor de bijeenkomst. Hij begint met het prijzen en verheerlijken van Allah en ook met het afsmeken van zegeningen over de Profeet صلى لله عليه و سلم. [Dan citeert hij verzen uit de Koran en preekt] en gaat zitten. Dan staat hij weer op (na een klein moment) en prijst en verheerlijkt Allah en ook smeekt hij zegeningen over de Profeet van Allah صلى لله عليه و سلم en citeert vanuit de Koran (en Hadith) en preekt. Vervolgens mag hij bidden voor wie hij wil [en dan wordt de iqama uitgesproken] (om het gebed te beginnen). Aldus daalt de Imam af van de preekstoel en leidt de bijeenkomst voor het Djoemoeʿah gebed, welke uit twee rakʿas bestaat. Hij reciteert tijdens iedere rakʿa: al-Hamd en een soera, [en reciteert ze hardop].
Wie één rakʿa haalt met inbegrip van de twee soedjoeds achter de Imam, mag nog een rakʿa (voor zichzelf) afmaken en heeft hij dus het Djoemoeʿah gebed vervult. Echter wanneer minder dan één rakʿa gehaald wordt achter de Imam, dan staat de persoon (daarna) om vier rakʿas af te maken net als die van het dhohr gebed wanneer het gebed samen met de intentie van (het afmaken) van het dhohr gebed verricht wordt.[3]
Wanneer de bijeenkomst op de tijd van ʿasr één rakʿa heeft verricht, moet een andere rakʿa afgemaakt worden en dat is goed genoeg voor de bijeenkomst om het Djoemoeʿah gebed als volbracht te beschouwen.[4]
Wie (de moskee) binnengaat terwijl de Imam de preek geeft, zou hij niet moeten zitten totdat hij twee rakʿas verricht heeft die kort behoren te zijn.[5]
Wanneer de inwoners van een dorp niet uit veertig[6] man bestaat die over hun volledige geestvermogen beschikken, dan is het Djoemoeʿah gebed niet verplicht voor hen. Wanneer het Djoemoeʿah gebed verricht wordt (zonder te voldoen aan zo’n voorwaarde) wordt het gebed herhaald (vier rakʿas) als dhohr. Wanneer een stad zo groot is dat het nood heeft aan Zjamiʿs (moskeeën voor het vrijdagsgebed), dan is het in allemaal toegestaan de Djoemoeʿah gebeden te verrichten.[7]
Het Djoemoeʿah gebed is niet verplicht voor de reiziger of een slaaf[8] of een vrouw. Echter wanneer zij het bijwonen wordt het (van hen) geaccepteerd. <Dit wil zeggen dat het Djoemoeʿah gebed van hen wordt geaccepteerd ter vervanging van dhohr en er is ons geen verschil van mening bekend over deze zaak.>
[Er zijn twee overleveringen met betrekking tot de slaaf overgeleverd van abu ʿAbd-Allah – moge Allah hem genadig zijn – waarvan één; dat het Djoemoeʿah gebed verplicht is voor de slaaf, maar de andere overlevering stelt dat het niet verplicht is.][9]
Wanneer een persoon waarvoor het verplicht is om het Djoemoeʿah gebed bij te wonen, het dhohr gebed op vrijdag verricht voordat de Imam klaar is in de begeleiding van het Djoemoeʿah gebed, dan moet hij het dhohr gebed herhalen nadat het Djoemoeʿah gebed klaar is.[10]
Het is aanbevolen dat iedere persoon die van plan is om het Djoemoeʿah gebed bij te wonen een bad neemt,[11] twee schone stukken doek draagt en zich parfumeert.
Het is geldig wanneer het Djoemoeʿah gebed <voor het middaguur> op het zesde uur verricht wordt.[12]
Het Djoemoeʿah gebed is verplicht voor eenieder die op een afstand van één parasang woont van de Jamiʿ.[13] Allah weet het beter.
[1] Dit is in verwijzing naar de oproep dat direct nadat de Imam plaats neemt op de preekstoel uitgesproken wordt.
[2] Zie Koran [62:9].
[3] Dit duidt erop dat de persoon in zo’n situatie het Djoemoeʿah gebed niet heeft gehaald volgens de Hanbali school. Aldus wanneer deze persoon zich achter de Imam zou voegen met de intentie om het dhohr gebed te verrichten op het moment dat er minder dan één complete rakʿa behaald wordt, dan kunnen vier rakʿas afgemaakt worden als het dhohr gebed. Dit houdt in dat wanneer zo’n intentie niet in eerste instantie gemaakt was, de persoon het vier rakʿa dhohr gebed na het uitspreken van de tesliem van de Imam moet beginnen. Volgens abu Hanifah heeft een persoon het Djoemoeʿah gebed gehaald bij het behalen van elk deel van het gebed achter de Imam, omdat wanneer een gebed afgemaakt moet worden na het behalen van één rakʿa achter de Imam, dan moet het ook afgemaakt worden wanneer minder dan een rakʿa gehaald wordt. (Al-Mughni, deel 2, pag. 232)
[4] Dit is ook de zienswijze van abu Yusuf en al-Shaybani (de twee leerlingen van abu Hanifah). Abu Hanifah heeft de zienswijze dat wanneer bij de tijd van ʿasr het Djoemoeʿah gebed niet afgemaakt is, het gebed ongeldig is en niet langer als het dhohr gebed afgemaakt mag worden. Al-Shafiʿi heeft de zienswijze dat het gebed dan afgemaakt kan worden als het dhohr gebed. (Al-Mughni, deel 2, pag. 236)
[5] Dit is ook de zienswijze van al-Shafiʿi. Malik en abu Hanifah beschouwen de verrichting van deze twee rakʿas op dit tijdstip slechts als verwerpelijk. (Al-Mughni, deel 2, pag. 236)
[6] Volgens de meest bekende opinie van de Hanbali school, is veertig man nodig voor het verrichten van het Djoemoeʿah gebed. Malik en al-Shafiʿi hebben ook dezelfde zienswijze. Ibn Qudamah vermeld twee andere overleveringen van ibn Hanbal, waarvan één uitwijst dat vijftig man nodig is en de andere dat drie man de verplichting kunnen vervullen. Volgens abu Hanifah mag de verplichting vervult worden door vier man. Een andere zienswijze duidt erop dat de minimum vereiste voor het volbrengen van deze verplichting twaalf man is. (Al-Mughni, deel 2, pag. 243-244)
[7] Abu Hanifah, Malik en al-Shafiʿi hebben de zienswijze dat het onacceptabel is om het Djoemoeʿah gebed op meer dan één plaats in de stad te verrichten. (Al-Mughni, deel 2, pag. 248)
[8] Er zijn twee verschillende overleveringen verhaald van ibn Hanbal over of dat het wel of niet verplicht is voor de slaaf om het Djoemoeʿah gebed bij te wonen. Volgens één van de twee overleveringen is het niet verplicht voor de slaaf. Klaarblijkelijk is dit de zienswijze die door al-Khiraqi aangehangen wordt. De andere overlevering deelt mee dat het verplicht is voor de slaaf om het gebed bij te wonen, behalve dat hij het niet kan bijwonen zonder de toestemming van zijn eigenaar. Deze laatste zienswijze wordt door abu Bakr aangehangen. (Al-Mughni, deel 2, pag. 250-251)
[9] Dit is geciteerd als onderdeel van de uitleg. (Al-Mughni, deel 2, pag. 250. Abu Yaʿla, Sharh, pag. 20a (2770))
[10] Dit is ook de zienswijze die door al-Shafiʿi aangehangen wordt. Volgens deze zienswijze is het acceptabel voor de persoon waarvoor het niet verplicht is om het Djoemoeʿah gebed bij te wonen, om het dhohr gebed te verrichten, omdat zo’n persoon niet verantwoordelijk wordt gesteld voor het niet bijwonen van het Djoemoeʿah gebed en aldus niet verplicht kan worden het gebed uit te stellen totdat de Imam het Djoemoeʿah gebed heeft afgerond. Abu Bakr heeft de zienswijze dat de reiziger of de zieke of welke persoon dan ook waarvoor het Djoemoeʿah gebed niet verplicht is, niet het dhohr gebed mag verrichten totdat de Imam klaar is met het begeleiden van het Djoemoeʿah gebed. Als het toch verricht is, dan moet de persoon het dhohr gebed nogmaals verrichten nadat het Djoemoeʿah gebed voorbij is. Deze laatste zienswijze wordt gebaseerd op het feit dat wanneer een persoon waarvoor het Djoemoeʿah gebed niet verplicht is het bijwoont, het dan van hem of haar geaccepteerd zal worden ter vervanging van de verplichting van dhohr, aldus mag de persoon het dhohr gebed niet verrichten voordat het Djoemoeʿah gebed voorbij is. (Tabaqat, deel 2, pag. 83-84)
[11] Ibn Qudamah vermeld dat er een andere overlevering van ibn Hanbal is dat stelt dat het verrichten van zo’n bad verplicht is. (Al-Mughni, deel 2, pag. 256)
[12] Dat de tijd voor het Djoemoeʿah gebed bij het begin van het zesde uur, voordat de zon in de hemel begint te dalen, gestart mag worden, is kennelijk de zienswijze die door al-Khiraqi wordt aangehangen. Andere Hanbali geleerden hebben de zienswijze dat het kan beginnen op de tijd van het ʿId gebed. Volgens abu Yaʿla is er een overlevering van ibn Hanbal dat het gebed verricht kan worden op de voorgeschreven tijd van het ʿId gebed. Echter, de meeste geleerden hangen de zienswijze aan dat de tijd voor het Djoemoeʿah gebed hetzelfde is als de tijd voor het dhohr gebed. Malik is het eens over dat de vrijdagspreek (khotba) voor het middaguur gestart mag worden, maar niet het gebed. (Al-Sanʿani (s.1182 NH), Subul al-Salam, deel 2, pag. 456. Abu Yaʿla, pag. 21a (2770))
[13] Dit is van toepassing op mensen die buiten een grote stad leven met een afstand van één parasang of minder van de Jamiʿ moskee vandaan. Deze zienswijze wordt ook aangehangen door Malik. Volgens al-Shafiʿi is in dit geval het Djoemoeʿah gebed verplicht voor een persoon die de oproep kan horen, ongeacht de afstand tussen hem en de Jamiʿ. De rationalisten geloven dat het Djoemoeʿah gebed niet verplicht is voor mensen die buiten de grote steden leven. Voor wat betreft de mensen die in de grote steden leven, ongeacht of het dichtbij de Jamiʿ of er ver vandaan is en ongeacht of dat de oproep tot het gebed wel of niet gehoord kan worden van waar zij leven, zijn zij verplicht het Djoemoeʿah gebed bij te wonen. Dit is volgens de zienswijze van ibn Hanbal, al-Shafiʿi en de rationalisten. (Al-Mughni, deel 2, pag. 266-267. Ibn Rushd, Bidayah, deel 1, pag. 165)